Een vroedschap is de benaming van een stedelijke regering ten tijde van de Republiek der Nederlanden. Ook wordt vroedschap (ook vroedman) gebruikt als titel van een burger die in die regering zitting had.

De meeste steden in die tijd kenden een regering bestaande uit gekozen mannelijke poorters, die zitting hadden in de vroedschap.

In de Republiek der Nederlanden bestond een stadsbestuur uit de magistraat en de vroedschap. De magistraat, de vier of zes burgemeesters en of schepenen, en hielden zich bezig met het dagelijks bestuur van de stad.

In de meeste steden werden de burgemeesters voor een periode van vier jaar gekozen. De laatst aangetreden burgemeester was verantwoordelijk voor de schutterij. De vroedschap stelde de magistraat aan, die in de regel uit eigen gelederen kwam. Er was daarbij sprake van een ingewikkeld stelsel van loting en in de meeste gewesten vanaf 1748 van voordrachten aan de stadhouder.

De vroedschap werd bijeengeroepen bij financiële kwesties, en altijd bij verkiezingen voor de bezetting van belangrijke posten. Dan ging het voornamelijk om het dienen van de economische belangen, waarin de leden van de vroedschap een belangrijk aandeel hadden.

In tegenstelling tot magistraten werden vroedschapsleden voor het leven benoemd. Een vroedschap bestond uit tien tot veertig burgers, die met enige regelmaat vergaderden.

Lidmaatschap was in principe een kwestie van uitverkiezing (coöptatie) en niet van erfopvolging. Familiebanden waren daarbij zeer belangrijk, maar ook welstand en sociale status telden mee.

Vroedmannen moesten voldoen aan een tweetal voorwaarden: lidmaatschap van de Gereformeerde kerk en het bezit van een huis.