Een vierschaar is het gerechtelijk bestuur van een plaatselijk gebied in de gewesten van de Lage landen tijdens de middeleeuwen en het Ancien Régime.

Aangezien ‘bestuur’ op dat ogenblik nog niet is opgedeeld volgens het principe van de scheiding der machten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht), maakte deze rechtspraak integraal deel uit van de taken van het bestuur. De hoge jurisdictie berustte vaak bij de graaf, de middelbare en lage jurisdictie bij de plaatselijke ambachtsheer.

Vanaf de middeleeuwen lieten zowel de graaf als de lagere heren hun rechterlijke bevoegdheid door anderen waarnemen. De lage rechtspraak werd namens de heer uitgeoefend door schout en schepenen. Hiertoe benoemde de heer enkele mannen, de schepenen, die samen de schepenbank uitmaakten. De schout trad op als voorzitter en tegelijk aanklager, de schepenen als jury en rechters.

De naam vierschaar komt van de vier ‘geschoren’ (gespannen) touwen waartussen de rechtspraak plaatsvond. Oorspronkelijk werd er buiten recht gesproken, traditioneel onder een linde. Bij die boom waren vier banken in een vierkant geplaatst, waarop de schepenen plaats namen; in het midden stond dan de beschuldigde.

Het is niet de opstelling van de vier banken waarnaar de ‘vierschaar’ is genoemd, maar de vier gespannen (geschoren) touwen; de vierschaar werd dan gespannen, daarbinnen werd recht gesproken.