Een schepenbank vormde tijdens het Ancien Régime het lokale bestuur,  de voorloper van de huidige bestuurscolleges (bestaande uit een burgemeester en wethouders).

De taken van de schepenbank gingen echter verder dan de huidige taken van burgemeester en wethouders.

Op de eerste plaats hadden zij een rechterlijke taak wat personen en goederen aanging die binnen hun rechtsgebied vielen. Naargelang de graad van de jurisdictie (hogere, middele of lagere jurisdictie) was de schepenbank bevoegd om bepaalde misdrijven tot een zekere kapitaalwaarde te berechten en uitspraak te doen in burgerlijke geschillen.

Ook criminele zaken (hogere jurisdictie) konden tot haar bevoegdheid behoren, veelal met uitzondering van deze waarvoor lijfstraffen van toepassing waren.

De overdracht van onroerend goed en erfverdelingen vonden eveneens plaats voor de schepenbank, die hierop een registratierecht (pontpenning) mocht heffen.

De schepenbank had ook tal van bestuurlijke taken. Op regelmatige geërfdendagen (ook gouwdagen genoemd) bespraken ze het gemeentebeleid.

Dit beleid omvatte ook de organisatie van de inning van zekere belastingen die verschuldigd waren aan de dorpsheer, de aanstelling van onderwijzers en vroedvrouwen, het zorgdragen voor de begaanbaarheid van wegen en waterlopen, beheren van gemeentegronden en het verzekeren van de veiligheid van het dorp.