Pieter Droogleever Fortuyn (Rotterdam, 28 december 1868 – ‘s-Gravenhage, 6 september 1938) was een welgestelde Rotterdamse zakenman en liberaal gemeentebestuurder uit een oud patriciërsgeslacht, in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Pieter werd op 28 december 1868 geboren te Rotterdam, aan het adres Schiedamschesingel 15-268. In zijn geboorteakte werd hij vermeld als Pieter Droogleever Fortuyn.

Op 13 juli 1912 is in de marge van deze geboorteakte aangetekend dat “bij beschikking van de Arrondissementsrechtbank alhier van 28 Juni 1912 is bevolen, dat de geslachtsnaam van den vader van het in nevenstaande akte vermelde kind voortaan, in plaats van Droogleever Fortuijn zal luiden Droogleever Fortuyn”.

Juridische en financiële sector

Na het gymnasium in Rotterdam volgde Pieter een rechtenstudie te Leiden, die hij in 1894 afsloot met het proefschrift: ‘Eenige beschouwingen over het vermogen der firma’. Vervolgens vestigde hij zich als advocaat te ‘s-Gravenhage. In 1898 volgde zijn benoeming tot directeur van de Stedelijke Hypotheekbank, waarvan hij een der oprichters was. Voor deze branche had zijn familie overigens altijd al veel belangstelling getoond.

Haags bestuur

In 1912 werd Pieter, voor de Liberale Unie, lid van de gemeenteraad in Den Haag. Zijn benoeming tot wethouder vond plaats in 1913, aanvankelijk voor financiën, waardoor hij tijdens de oorlogsjaren ook belast werd met de problemen rond de voedseldistributie.

In 1919 verwisselde hij deze portefeuille met die van openbare werken, stadsontwikkeling en volkshuisvesting. Uit deze Haagse tijd dateren een tweetal verhandelingen: “De grond- en woningpolitiek der gemeente ’s-Gravenhage” [1922] en “Het organisme eener groote stad” (1923). Door dit wethouderschap kon Pieter krachtig meewerken aan de stadsverfraaiing. Als wethouder van volkshuisvesting maakte hij zich onder meer sterk voor de aanleg van het Zuiderpark.

In 1923 trok hij zich terug uit de gemeenteraad en maakte hij een grote reis, die hem onder meer naar Oost-Azië voerde. Vanwege zijn inspanningen voor de aanleg van het Zuiderpark besloot de gemeenteraad de straat die door het park loopt te noemen: mr. P. Droogleever Fortuynweg. Burgemeester Patijn maakte bezwaar tegen de vernoeming naar een levend persoon, omdat in Groningen twee personen kort nadat een straat naar hen was vernoemd, waren overleden. De raad stelde desondanks op 4 juli 1938 de straatnaam vast. Pieter overleed twee maanden later.

Tweede Kamer, Eerste Kamer, Volkenbondscommissie en de VNG

In 1925 werd Pieter gekozen voor de Tweede Kamer, waar vooral zijn belangstelling voor Indische en Surinaamse aangelegenheden bleek. Verder sprak hij in de Tweede Kamer onder meer over onderwerpen op het terrein van justitie, verkeer en van de omroep.

In het bijzonder zijn tactische bekwaamheden deden hem in 1925 in aanmerking komen voor het lidmaatschap van een Volkenbondscommissie die tot taak had een onderzoek in te stellen en een oplossing te vinden voor een ernstig grensgeschil tussen Bulgarije en Griekenland.

Van 20 september 1932 tot aan zijn overlijden was Pieter tevens lid van de Eerste Kamer, waar hij zich onder meer bezig hield met justitie, binnenlandse zaken, financiën. Eveneens van 1932 tot 1938 was Pieter voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hij toonde zich daarbij een krachtig strijder voor de autonomie der gemeenten.

Burgemeester van Rotterdam

Pieter werd met ingang van 15 oktober 1928 benoemd tot burgemeester van Rotterdam, als opvolger van de partijloze Johannes Wytema (1871-1928). Deze laatste had zijn functie mede om gezondheidsredenen binnen vijf jaar moeten opgeven. Wytema’s ambtsaanvaarding was al meteen belast geweest met de herinnering aan een ambtsvoorganger, Alfred Rudolph Zimmerman (1869-1939), die, ofschoon hij op den duur veel populariteit verspeeld had, een bijzonder bekwaam en krachtig burgemeester was geweest.

De goedwillende, vriendelijke Wytema bleek echter weinig bestand tegen een moeilijk hanteerbare gemeenteraad, waarin een aantal leden in oppositie – vooral van de Rapaljepartij – het hem bijzonder lastig heeft gemaakt. Het was duidelijk dat de nieuw benoemde burgemeester Droogleever Fortuyn bepaald niet met gejuich werd begroet.

Uit verschillende uitlatingen zoals ‘Rotterdam is niet gesteld op Haagse binnenvetters’ bleek dat de aanwijzing van een vertegenwoordiger van de numeriek zwakke liberale stroming zonder overleg met de plaatselijke groeperingen weinig werd gewaardeerd. Doch het rustige en beheerst tactische optreden van de nieuwe ambtsdrager deed de stemming omslaan. De gemeenteraad werd teruggebracht binnen de perken van een waardig bestuurlijk college, en er werd weer een zakelijke waarneming van de bestuurstaak mogelijk.

Met naar politieke kleur sterk wisselende wethoudersploegen wist hij doelmatig samen te werken. Hoezeer Pieters burgemeesterschap over het algemeen een succes was geworden bleek uit het feit van de herbenoeming in 1934, ondanks zijn gevorderde leeftijd. Pieter heeft als waardige regentenfiguur met zin voor humor en mensenkennis, die ook zijn politieke tegenstanders op de juiste waarde wisten te schatten, wezenlijk bijgedragen tot een gemeentebeleid dat, ondanks de economische crisis, positief kon worden gewaardeerd.

Als burgemeester heeft Pieter wezenlijk bijgedragen aan de verbetering van de oeververbinding door de Maastunnel en, als kunstzinnig man, mede zijn krachten gegeven aan de uitbreiding van het Museum Boijmans. Onder zijn burgemeesterschap kwamen ook de bouw van de nieuwe Beurs, het Feyenoordstadion en verschillende andere grote werken tot stand.

Bijzondere belangstelling toonde Pieter voor groenvoorziening. Zo trok hij lijnen t.a.v. de stadsverfraaiing uit de Haagse tijd door bij zijn ijveren voor belangen van zijn hervonden geboortestad.

Sportliefhebber

Pieter was een sportliefhebber en in het bijzonder een voetballiefhebber. In zijn jonge jaren had hij als speler en bestuurder veel gedaan voor de Rotterdamse voetbal- en cricketvereniging Concordia, en van daaruit had hij toen tot de oprichters behoord van wat later de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) zou worden; hij zou van die organisatie ten slotte zelfs erelid worden. In zijn Haagse jaren had ADO veel aan hem te danken.

In 1937 verrichtte hij de aftrap voor de eerste wedstrijd in de Kuip, nadat hij in 1925 ook al met een aftrap het Zuiderpark Stadion in gebruik had gesteld. Het Droogleever Fortuynplein, aan de noordzijde van de Maastunnel, is naar hem vernoemd. Daarnaast was hij ook een gevorderd adept van het schaakspel.

Overlijden en begrafenis

Thuisgekomen van een enerverende buitenlandse reis, werd hij opgenomen in een Haags ziekenhuis, waar hij op 6 september 1938 overleed. In verband met zijn overlijden werden de festiviteiten ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in de Grote Doelenzaal in Rotterdam aangepast.

Het college van burgemeester en wethouders stemde in met het verzoek van de weduwe Hélène Bruinier om Pieter op 10 september 1938 op te baren in de burgerzaal van het stadhuis. Daarvoor werd het stoffelijk overschot van Pieter op die dag overgebracht van Scheveningen naar Rotterdam. Na de rouwplechtigheid in de burgerzaal vertrok de rouwstoet naar de algemene begraafplaats in Den Haag.