Michiel Adriaenszoon de Ruyter (Vlissingen, 24 maart 1607 – Baai van Syracuse, 29 april 1676) was een Nederlands admiraal.

Op elfjarige leeftijd, op 3 augustus 1618, ging hij als hoogbootsmansjongen voor het eerst naar zee. Hij werd op een latere reis door de Spanjaarden gevangengenomen, ontsnapte en liep met een paar kameraden terug naar Nederland.

In 1622 kwam hij onder de hoede van een broer van zijn moeder, die “ruiter” was in het leger van Prins Maurits. Met zijn oom nam hij als konstabel of busschieter deel aan de strijd rond het Beleg van Bergen op Zoom. Hij nam deel aan het ontzet van de stad, waar de familie van zijn moeder vandaan kwam, op 2 oktober 1622.

In 1622 voer hij voor het eerst uit als hoogbootsmansmaat op een oorlogsschip. Het is onbekend hoe lang zijn eerste zeedienst bij de marine geduurd heeft. Tot 1631 was De Ruyter in Dublin handelsagent voor het Vlissingse koopmanshuis Lampsins. Uit die tijd stamt vermoedelijk het beroemde verhaal dat hij een aanval van de Duinkerker Kapers afsloeg door het dek van zijn schip met boter in te smeren.

Op 16 maart 1631 trouwde hij met de boerendochter Maayke Velders. Zijn vrouw stierf echter al op 31 december in het kraambed en zijn eerste kind, Alida of Aaltje, overleed drie weken later.

Stuurman

In 1633 nam De Ruyter als stuurman dienst op een walvisvaarder van de Noordse Compagnie met als bestemming Jan Mayen. In 1635 voer hij, nog steeds stuurman, naar Spitsbergen. Later dat jaar gaat hij op de Graeuwen Heynst op kaapvaart in dienst van de Lampsins. Hij is actief op de route naar Zuid-Amerika.

Pas in 1636 komt Michiel Adriaenszoon voor het eerst onder de naam ‘Ruyter’ in een document voor. De herkomst van die naam was in zijn eigen tijd al een raadsel en hierover deden verschillende verhalen de ronde. Eén daarvan was dat hij aan zijn naam kwam omdat zijn grootvader of zijn oom van moederszijde als ruiter had meegevochten in het leger. Mogelijk komt de bijnaam De Ruyter waarschijnlijk uit de kaapvaart en is zij ontleend aan het “ruiten” oftewel roven door zijn kaperschip. Het lijkt er overigens op dat de bijnaam vooral door anderen is gegeven: pas in april 1637 ondertekende Michiel voor het eerst met deze naam.

Op 1 juli 1636 huwde hij Neeltje Engels (1607-1650), een bemiddelde regentendochter. Op 27 september 1637 wordt een zoon geboren, Adriaen (1637-1655), en twee jaar later een dochter, Cornelia (Neeltje, 1639-1720). In 1641 krijgen ze een derde kind, dat na enkele dagen overlijdt, ongedoopt. In 1642 komt er nog een dochter, die zij Alida of Aaltje (1642-1679) noemen, zoals zijn allereerste dochter. Op 2 mei 1649 wordt hun laatste kind Engel (1649-1683) geboren, ruim een jaar later overlijdt zijn echtgenote.

De Ruyter had toen zelf al een kapitaal opgebouwd van vele duizenden guldens en het poorterschap (burgerrecht) van Vlissingen verworven. Kapers wilden nog wel eens piraterij begaan en in dit jaar zouden de Engelsen wegens (althans beweerde) verdenking hiervan De Ruyters schip, terwijl hijzelf de stad Calais bezocht, met bemanning en al prijs hebben genomen en het naar de marinebasis Sandwich in Engeland hebben gevoerd. Michiel zou zijn mannen achterna zijn gereisd om te protesteren. Sinds 1634 voerde Karel I van Engeland een pro-Spaanse politiek en kwamen dit soort vijandelijkheden steeds vaker voor.

Kapitein

Op 23 april 1637 zeilde De Ruyter uit als kapitein van een directieschip: een particuliere oorlogsbodem, van de Vlissingse reders Lampsins. Het particulier initiatief moest de zwakke oorlogsvloot bijstaan in de strijd tegen de Duinkerker Kapers. Overigens had Zeeland geen officiële directiekamer en is ook deze tocht als kaapvaart te omschrijven.

In 1640 werd hij kapitein op de koopvaarder Vlissinge, opnieuw een schip van Lampsins, en maakte een aantal tochten naar West-Indië.

Schout bij nacht

In 1641 was hij onder admiraal Gijsels schout-bij-nacht en kapitein op De Haze, tijdens een expeditie om de Portugezen bij te staan in hun opstand tegen Spanje.

Van 1644 tot en met 1651 maakte De Ruyter met zijn schip de Salamander vele handelstochten op Marokko en West-Indië voor eigen rekening. In 1650 verbleef De Ruyter meer dan 8 maanden in Santa Cruz (het huidige Agadir). De reden van dit lange verblijf is niet bekend. Zijn reizen naar Marokko waren overigens zeer profijtelijk. Hij verkocht er wapens, peper, bijlen, zilveren kroezen, kistjes en hoeden aan Sidi Ali ben Mohammed, de leider van een opstandige provincie in het zuiden. Ook verjoeg hij later de schepen van Algerijnse zeerovers die de haven van Salé blokkeerden. Hij werd vervolgens met de grootste eer in die stad ontvangen.

Na de dood van zijn tweede vrouw op 15 september 1650 hertrouwde hij op 8 januari 1652 met de weduwe Anna van Gelder (1614-1673). Zij had een dochter en een zoon uit haar eerdere huwelijk. Ook kocht hij een fraai huis en besloot te gaan rentenieren. Later dat jaar wordt Margaretha geboren. Zij trouwt later met ds. Bernardus Somer.

Voorgoed bij de marine: Eerste Engelse zeeoorlog

In 1652 brak echter de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog uit. De Admiraliteit van Zeeland deed een beroep op zijn plichtsbesef en hij ging op 29 juli, zij het met tegenzin, weer in zeedienst. De provincie Zeeland rustte een particulier betaald hulp-eskader van directieschepen uit en De Ruyter werd hiervan commandant. Hij werd vicecommandeur (onderbevelhebber) onder Witte de With; tijdens diens afwezigheid voerde hij een eskader aan dat op 23 augustus 1652 in de Slag bij Plymouth admiraal Ayscue versloeg.

Dit was de eerste Nederlandse overwinning in deze oorlog, en de onbekende De Ruyter was plotseling een zeeheld geworden. Op 1 december 1652 werd hij benoemd tot commandeur bij de Zeeuwse admiraliteit. Hij vocht als eskadercommandant mee in de Slag bij de Hoofden, de Slag bij de Singels, de Driedaagse Zeeslag en de Zeeslag bij Nieuwpoort. Bij de Slag bij Ter Heijde was hij de enige commandant die Tromps vlaggenschip de Brederode kon bereiken om met eigen ogen het lijk van Maarten Tromp te aanschouwen. Hij adviseerde Egbert Bartolomeusz Kortenaer het sneuvelen van de bevelhebber geheim te houden.

Viceadmiraal

Na de oorlog wees hij een aanbod af om bevelhebber te worden, ondanks grote druk van Johan de Witt, maar bleef in dienst bij de marine: op 2 maart 1654 werd hij viceadmiraal bij de admiraliteit van Amsterdam, en De Ruyter en zijn gezin verhuisden in 1655 naar die stad. Hetzelfde jaar maakte hij met de Tijdverdrijf een expeditie naar de Middellandse Zee tegen Algiers. In 1656 viel hij de Zweden aan bij Danzig. In 1657 en 1658 voerde hij acties uit tegen Portugal.

In 1659 commandeerde hij een hulpvloot die luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer Obdam moest bijstaan bij het heroveren van de Deense eilanden na diens overwinning in de Slag in de Sont. Hij bevrijdde Nyborg op Funen. Uit dankbaarheid werd hij door Frederik III van Denemarken in de adelstand verheven. Hij kreeg ook het recht handel te drijven op Noorwegen en richtte daartoe in 1660 de Noordkaapse Compagnie op, die tot 1664 actief was. De Compagnie richtte zich op de walvisvaart, daarnaast op de handel in lever en kuit van kabeljauw.

In 1659 trouwt zijn oudste dochter Cornalia (1636) met Johan de Witte (1635-1683), kapitein bij de Admiraliteit van Amsterdam. Zij geven hem twee kleinzonen, Cornelis (1660) en Michiel (1662).

Afrika

Van 1661 tot 1663 was De Ruyter actief tegen de Barbarijse zeerovers en dwong dezen uiteindelijk een verdrag af. Die braken dat verdrag echter bijna onmiddellijk nadat hij verdwenen was, zodat hij er in 1664 opnieuw op uitgestuurd werd. Weer in de Middellandse Zee aangekomen, vernam hij echter al snel dat er dringender zaken waren: de Britten hadden de Nederlandse factorijen in West-Afrika veroverd.

De vloot van De Ruyter werd er in het geheim op af gestuurd: hij heroverde de Nederlandse bezittingen. Daarbij ontmoette hij onverwacht een oude jeugdvriend uit Vlissingen: Jan Compagnie, die als kind tot slaaf gemaakt vanuit Afrika naar Zeeland vervoerd was en nu als zetbaas van de WIC aan de Goudkust bleek te werken. Om de Britten te straffen, verwoestte De Ruyter de Britse factorijen.

In 1663 trouwt zijn dochter Alida met Johan Schorer (1628-1664).

Amerika

Vanuit Afrika stak de vloot de Atlantische Oceaan over om de Britse koloniën in Amerika te teisteren. De Ruyter zag af van een herovering van Nieuw-Nederland omdat zijn krachten daartoe ontoereikend waren, maar plunderde de kust en onderschepte een haringvloot. In 1665 werd St. John’s, in wat nu Canada heet, voor korte tijd veroverd. Bij terugkeer in Delfzijl werd hij als een held ontvangen. Intussen hadden zich stormachtige ontwikkelingen voorgedaan in de Republiek.

Tweede Engelse zeeoorlog

De Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, die eigenlijk al een jaar in de koloniën was uitgebroken, was nu de openlijke fase ingegaan. In de Slag bij Lowestoft had de Nederlandse vloot echter een zeer zware nederlaag geleden, waarbij Van Wassenaer Obdam was gesneuveld. Men had dus een nieuwe bevelhebber van de staatse vloot nodig. Cornelis Tromp had al een voorlopige benoeming op zak.

Ingrijpen van raadpensionaris Johan de Witt leidde ertoe dat de Ruyter op 11 augustus alsnog werd aangesteld, want Tromp was hem te Oranjegezind. Tromp werd hierdoor zeer jaloers op De Ruyter en had grote moeite zich in de omstandigheden te schikken, hoewel hij kennelijk geen speciale antipathie tegen de man zelf voelde. De Ruyter kreeg zo een wel bijzonder lastige tweede man — eenzelfde situatie die zich had voorgedaan tussen Maarten Tromp en Witte de With: een die weliswaar zijn best deed te gehoorzamen, maar daar eigenlijk niet toe in staat was.

De Ruyter, die al eerder als informeel adviseur van zijn voorganger, bevelhebber Jacob van Wassenaer Obdam, invloed had gehad bij de modernisering van de vloot, zette na zijn aanstelling dat proces voort. Onder zijn leiding werd er geoefend in het formatievaren (in navolging van de tactiek van de Engelse admiraal Robert Blake) en werd een systeem van seinvlaggen ingevoerd. Tot dan was een zeeoorlog vooral een ongecoördineerd gevecht van schip tegen schip geweest.

In augustus 1665 lukte het hem om met Deense steun de retourvloot uit Indië, die in de haven van het Noorse Bergen door de Engelsen geblokkeerd werd, te ontzetten in de Slag in de baai van Bergen.

In 1666 nam hij het vlaggenschip De Zeven Provinciën in gebruik, waarmee hij de overwinning bevocht in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni). In de Tweedaagse Zeeslag (4-5 augustus) leed hij een nederlaag en kwam het tot een verwijdering tussen hem en Tromp. Zijn verdiensten in de strijd tegen de Engelsen werden ook in het buitenland opgemerkt. Diezelfde maand werd hij door de Franse koning Lodewijk XIV toegelaten tot de ridderorde van de Heilige Michaël. Lodewijk kon de successen van de Hollanders tegen diens Engelse vijanden wel waarderen. Niemand kon toen bevroeden dat de Fransen nog gevaarlijker tegenstanders van de Republiek zouden worden dan de Engelsen, en dat De Ruyter gedood zou worden door een Franse kanonskogel.

Door het inademen van brandend lontpluis tijdens een kleinere actie later dat jaar werd De Ruyter zeer ernstig ziek. Er werd voor zijn leven gevreesd, maar hij genas net voldoende om het bevel over de vloot weer op zich te nemen. Tromp was toen geheel in ongenade gevallen.

Een van De Ruyters bekendste wapenfeiten, hoewel hij daar, mede door zijn ziekte, slechts een gering aandeel in had, is het opvaren van de Medway, een zijrivier van de Theems, bekend als de Tocht naar Chatham in 1667. Een landingsteam van het, in opdracht van Johan de Witt, door Cornelis de Witt net opgerichte Korps Mariniers stond al gereed de ketting neer te halen die de toegang tot de rivier versperde, toen kapitein Jan van Brakel, die in ongenade gevallen was toen hij zijn manschappen op het eiland Sheernesshad laten plunderen, aanbood zich te rehabiliteren.

Hij voerde het commando over zijn eigen schip, de Vreede, en twee branders, de Suzanna en de Pro Patria: het was deze laatste die volgens de overlevering de ketting doorvoer. Hierna kon de Engelse vloot zware schade toegebracht worden en namen de Hollandse schepen het Engelse vlaggenschip HMS Royal Charles mee naar Holland. Na dit wapenfeit werd de Vrede van Breda getekend.

Weinig bekend is dat het plan om de Medway op te varen afkomstig was van Johan de Witt. De Ruyter had aanvankelijk bezwaren wegens de onbekende plaatselijke ondieptes, maar voerde de opdracht toch uit. De Witt stuurde zijn broer Cornelis de Witt mee als gecommitteerde van de Staten-Generaal om toezicht te houden. De feitelijke planning was van luitenant-admiraal Willem Joseph van Ghent.

Verblijf in de Nederlanden

Tussen 1667 en 1672 werd De Ruyter zeer tegen zijn zin door Johan de Witt thuisgehouden om te voorkomen dat hij zou sneuvelen. De Ruyter had toen al een aanzienlijk kapitaal vergaard van ongeveer 250.000 gulden. In november 1669 overleefde De Ruyter een moordaanslag. Een aanhanger van Tromp probeerde hem met een broodmes in de hal van zijn huis te doden. De op religieus gebied tolerante De Ruyter werd als een medestander van Johan de Witt gezien, al hield hij zich buiten de politiek. Dat maakte hem in veler ogen tot een tegenstrever van de Oranjes.

Derde Engelse zeeoorlog

Tijdens de Derde Nederlands-Engelse Oorlog voorkwam De Ruyter zowel in het rampjaar 1672 (Slag bij Solebay) als in 1673 (Eerste en Tweede Slag bij het Schooneveld en de Slag bij Kijkduin) dat de gecombineerde Franse en Engelse vloot ondanks hun grotere aantallen op de Zeeuwse of Hollandse kust kon landen. Hij maakte daarbij handig gebruik van de vele ondiepten voor de kust en van de richting waaruit de wind woei. Ter onderstreping van De Ruyters functie te midden van de vele luitenants-admiraal die de Republiek toen kende (elke admiraliteit had er wel een), werd hij op 21 februari 1673 bevorderd tot luitenant-admiraal-generaal.

Rampjaar

In het rampjaar, waarin de gebroeders De Witt werden vermoord, werd op 6 september 1672 ook een volksmenigte tegen het huis van de afwezige De Ruyter opgestookt, maar de burgerwacht wist verwoesting te voorkomen. De Ruyter was een vriend van Johan de Witt en werd er valselijk van beschuldigd de vloot aan de Fransen te willen verraden. De nieuwe machthebber, Willem III van Oranje-Nassau, wist De Ruyter en Tromp, een van de belangrijkste deelnemers aan het moordcomplot tegen De Witt, te verzoenen, door Tromp in het geheim te beloven dat hij De Ruyters opvolger als bevelhebber zou zijn. Dit gebeurde in het Rechthuis in Uithoorn.

Laatste tochten

In 1674 deed De Ruyter een mislukte poging Martinique te veroveren op de Fransen, met wie de Republiek sinds het Rampjaar 1672 in de Hollandse Oorlog verwikkeld was. In 1676 werd hij uitgezonden om Spanje te helpen bij het neerslaan van een opstand in Messina, die door de Fransen juist gesteund werd. Sicilië en het Koninkrijk Napels waren in die tijd Spaans bezit. Hoewel De Ruyter vond dat zijn vloot te zwak was ging hij toch, volgens sommige historici ervan overtuigd dat hij niet meer zou terugkeren, met de woorden:

“De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden, en al wierd mij bevoolen ’s Lands vlagh op een enkel schip te voeren, ik zou daarmee t’zee gaan en daar de Heeren Staten hunne vlag betrouwen, zal ik mijn leven waagen”.

Het uitzenden van De Ruyter op deze tochten was opvallend omdat ze van zo weinig belang waren dat zij de aanwezigheid van de luitenant-admiraal-generaal absoluut niet rechtvaardigden. De Spaanse steun aan de Nederlandse bondgenoot was ver beneden verwachting en De Ruyter kon slecht overweg met de Spaanse bevelhebbers en de Spaanse autoriteiten.

In 1676 vocht hij op 8 januari de onbesliste Slag bij Stromboli uit, om Napels te verdedigen tegen de Franse vloot onder bevel van admiraal Duquesne. Als dank voor de geboden hulp liet markies De Los Velez, de Spaanse onderkoning van Napels, 26 Hongaarse predikanten vrij, die bij hem te werk waren gesteld als galeislaven. Nog ieder jaar wordt dit in februari bij het graf van De Ruyter herdacht.

Op 22 april 1676 kwam het tot een tweede confrontatie met Duquesne, in de Slag bij Agosta. Ook dit was een tactisch onbesliste slag, waarbij aan beide zijden enkele honderden doden vielen, maar met een strategisch voordeel voor de Fransen. Bovendien werd De Ruyter door een kanonskogel geraakt aan zijn rechterbeen, dat verbrijzeld werd, en aan zijn linkervoet, waarvan het voorste deel werd afgeschoten. Zijn been werd geamputeerd en in eerste instantie leek de gewonde te herstellen. Na enige dagen trad er wondkoorts op omdat de wond geïnfecteerd was geraakt. Michiel de Ruyter overleed een week later in de Baai van Syracuse aan de gevolgen van de wondkoorts, aan boord van ’s lands schip van oorlog d’Eendraght. Het lichaam werd gebalsemd en opgebaard in de kajuit van de admiraal naar Nederland teruggebracht. Als teken van respect liet de Franse koning Lodewijk XIV bij het langsvaren van de Eendraght saluutschoten afvuren.