Maria Johanna (alias Zus) Braun (Rotterdam 22 juni 1911 – Gouda 23 juni 1982) was een zwemster.

In 1928 won ze de Olympische zomerspelen te Amsterdam een gouden medaille op de 100 meter rugslag. Zij was hiermee de eerste individuele sportster uit Nederland die Olympisch goud behaalde. Zij zwom zes wereldrecords.

Maria Johanna (alias Zus) Braun groeide op in een gezin waar de zwemsport belangrijk was. Haar vader deed aan schoonspringen en waterpolo. Haar moeder (bekend als “Ma Braun”) werkte in het gemeentelijke zwembad De Kous en ontwikkelde zich in de loop der jaren tot een (inter)nationaal bekende trainster bij de Koninklijke Nederlandse Zwembond (KNZB).

Al op jonge leeftijd kreeg “Zus” Braun zwemles van haar moeder. En niet zonder resultaat: als driejarige haalde zij het diploma “geoefend zwemmer” voor de onderdelen springen van de plank, 40 meter rugslag en 80 meter schoolslag. Met succes nam ze deel aan jeugdwedstrijden. Zo werd ze onder andere op haar dertiende Nederlands kampioene popduiken.

Internationale successen

Samen met andere zwemtalenten – onder wie Marie Baron en Rie Mastenbroek – werd “Zus” Braun door haar moeder onderworpen aan een zeer streng trainingsregime, inclusief “kampioenendieet”, bestaande uit bruine bonen met spek en paardenbiefstuk. Deze training wierp vruchten af.

In 1927 werd “Zus” Braun zowel Nederlands als Europees kampioen op de 400 meter vrije slag. Bij deze Europese kampioenschappen – in Bologna – won ze ook twee zilveren medailles (100 meter rugslag en 4×100 meter vrije slag in de estafetteploeg).

Ruim een jaar later was ze de eerste individuele sportster uit Nederland die Olympisch goud behaalde: tijdens de Zomerspelen van 1928 in Amsterdam won de zeventienjarige “Zus” Braun goud (100 meter rugslag) èn zilver (400 meter vrije slag).

Pers en publiek waren enthousiast over de successen van Marie Braun, maar zelf vond ze dat er een “verschrikkelijke drukte” over haar prestaties werd gemaakt.

Na haar Olympische successen was het voor haar ook niet makkelijk om aan alle verwachtingen te voldoen. Ze bleef trainen onder haar moeders leiding, maar moest dat combineren met schoolwerk en buitenlandse tournees, waar ze naar eigen zeggen als onbetaald artieste overal te kijk stond.

Ondanks de druk slaagde Braun erin tijdens de Nederlandse kampioenschappen van 1929 haar titel op de 400 meter vrije slag te prolongeren en schreef ze tijdens de Europese kampioenschappen van 1931 in Parijs drie wedstrijden op haar naam (100 meter rugslag, 400 meter vrije slag, 4×100 meter vrije slag in de estafetteploeg).

Uitschakeling

Op 24 september 1931 trouwde “Zus” Braun met Herman Philipsen, gérant in een café. De media vreesden dat dit het einde zou betekenen voor haar zwemcarrière, maar “Zus” Braun had haar zinnen gezet op de Olympische Spelen van 1932 in Los Angeles.

Na de kwalificatierace gold ze als favoriet voor de 100 meter rugslag. Deze finale heeft zij echter nooit gezwommen. Toen ze op 9 augustus 1932 als toeschouwer op de tribune zat te kijken naar het zwemmen, voelde opeens ze een pijnlijke prik in haar been, vermoedelijk van een insect. Twee dagen later – exact vier jaar na haar titel in Amsterdam! – werd “Zus” ziek uit het zwembad gevist.

Met spoed werd ze naar het ziekenhuis gebracht, waar ze op het randje van de dood zweefde. Ondertussen week “Ma Braun” niet van haar zijde. Alsof de familie nog niet genoeg te lijden heeft, verongelukt diezelfde maand ook de vader van “Ma Braun”, de opa van “Zus”.

Het is nooit duidelijk geworden wat de steek in haar been is geweest. Aanvankelijk dacht men aan een insectenbeet, maar moeder en “Zus” Braun raakten ervan overtuigd dat ze opzettelijk door middel van een injectie was uitgeschakeld om haar Amerikaanse rivale Eleanor Holm – wie bij het behalen van Olympisch goud een filmcontract was toegezegd – te laten winnen.

De Nederlandse pers reageerde terughoudend op deze visie. Ook werd vermoed dat er een goksyndictaat achter zat, wat niet geheel onaannemelijk hoefde te zijn. In 1932 werd er stevig gegokt op de uitslagen van wedstrijden. “Zus” Philipsen-Braun zette hierna noodgedwongen een punt achter haar zwemcarrière: het duurde nog twee jaar voor zij volledig was hersteld en deelname aan wedstrijden was haar door artsen verboden.

Gezin, Plaswijk Paviljoen te Hillegersberg en afkeer van het zwemmen

“Zus” richtte zich op haar gezin – in de jaren 1934-1943 werden drie zoons en een dochter geboren – en startte met haar echtgenoot een horecaonderneming in Hillegersberg, het Plaswijk Paviljoen aan de Plaswijklaan.

Haar animo voor het zwemmen maakte plaats voor grote weerzin. Zo heeft zij de zwemwedstrijden van haar dochter nooit willen bijwonen. Herinneringen aan haar wedstrijden werden weggegooid en interviews geweigerd. Zij verkoos een leven in de anonimiteit. Haar dochter verklaarde de ontstane afkeer uit het feit alles zo geforceerd was door haar “Ma Braun” Die bepaalde wat “Zus” moest doen en laten.

Zwemmen en trainen beheersten bijna twintig jaar lang haar leven. Altijd vroeg naar bed, nooit eens een feestje. “Zus” Braun schonk nog wel haar badpak – van wol! – aan het nieuwe talent Rie Mastenbroek, die acht jaar na de Spelen van Amsterdam voor ongekende sportieve successen zorgde op de Olympische Spelen in Berlijn, met drie gouden en één zilveren medaille.

<h2<Waardering

In de geschiedenis van de zwemsport staat “Zus” Braun te boek als de zwemster die Nederland in de jaren 1927-1932 internationaal op de kaart zette. Het aandeel dat Ma Braun in haar dochters successen had, blijft hierbij nooit onvermeld. Beiden kregen ook internationale erkenning.

Dertien jaar nadat haar moeder de eer te beurt was gevallen, werd “Zus” Philipsen-Braun in 1980 benoemd tot lid van de International Swimming Hall of Fame in Fort Lauderdale (Florida, VS). In 1999 werd in Rotterdam een straat naar haar vernoemd: de Zus Braunstraat.

Gouden medaille was niet van goud

In het Rotterdamsch Nieuwsblad van 27 augustus 1936 werd onthuld dat de in Berlijn uitgereikte Olympische gouden medailles niet van goud waren, maar van (73 gram) verguld zilver. Volgens de ingeschakelde goudsmid H.M. Mansvelt waren de medailles daarmee per stuk niet f 110,00 waard maar slecht f 1,50.

Vervolgens nam de redactie contact op met “Zus” Braun om na te gaan of de in 1928 uitgereikte medailles wel van goud waren, maar ook die bleken van verguld zilver.

“Zus” Braun meldde dat ze dat wist. Volgens haar verkochten sommige sporters hun medailles, en daarom besloot het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om na 1920 geen echt gouden medailles meer uit te reiken.

Uiteindelijk kwam de redactie er achter dat in de officiële stukken van het IOC ook stond vermeld dat aan de winnaar een verguld zilveren medaille wordt uitgereikt plus een diploma.