Louis Marie Anne Couperus (Den Haag, 10 juni 1863 – De Steeg, 16 juli 1923) was een Nederlandse schrijver.

Couperus beoefende vele literaire genres. Hij debuteerde met poëzie, maar stapte al snel over op psychologische romans. Hij schreef ook cultuursprookjes, historische romans en veel reisverslagen en columns.

Couperus stamde af van een Friese familie, ooit kuipers, waarvan de naam later gelatiniseerd werd tot Couperus. In de familie kwamen verschillende predikanten voor.

Couperus was een lid van de Nederlandse patricische familie Couperus. Hij was de zoon van mr. John Ricus Couperus (1816-1902), lid van de raad van justitie te Padang 1844 en te Batavia 1846, daarna raadsheer bij het Hooggerechtshof 1850, en van jonkvrouw Catharina Geertruida Reynst (1829-1893), dochter van Jan Cornelis Reijnst (1798-1871), waarnemend Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Hij was een achterkleinzoon van Abraham Couperus (1752-1813), koopman, later gouverneur van Nederlands-Malakka.

In deze families werd vrij veel onderling getrouwd. Uiteindelijk trouwde ook Couperus met een familielid, namelijk met zijn achternicht Elisabeth Couperus-Baud.

Vroege jaren

Louis Marie Anne Couperus werd op 10 juni geboren te ‘s-Gravenhage op de Mauritskade nummer 11 als zoon van John Ricus Couperus en Catharina Geertruida Reynst. Couperus kreeg de drie namen van de drie zusjes die vóór zijn geboorte gestorven waren. Hij werd op 19 juni gedoopt in de Église Wallonne aldaar.

Het gezin Couperus vertrok op 8 november 1872 naar Nederlands-Indië, kwam aldaar op 31 december aan en vestigde zich in 1873 aan het Koningsplein te Batavia.

In 1874 begon Couperus met zijn opleiding op het gymnasium Willem III; hij had toen Elisabeth Baud als vriendinnetje.

In 1878 keerde het gezin terug naar Nederland, waar men eerst aan de Nassaukade en in 1883 aan het Nassauplein nummer 4 te ‘s-Gravenhage ging wonen.

In 1884 verhuisden zij naar Surinamestraat 20, waar hij in 1889 zijn debuutroman Eline Vere schreef die hem in een keer beroemd maakte. Couperus verliet in 1881 de H.B.S. en studeerde verder voor een acte MO.

In 1883 keerde Elisabeth Baud terug naar Nederland en ging bij haar grootouders, Guillaume Louis Baud en Wilhelmina Jacobina Theodora Couperus, wonen. In mei van datzelfde jaar verkocht de vader van Couperus het landgoed Tjicoppo, in Nederlands-Indië. Couperus debuteerde in juli in het tijdschrift Nederland met het gedicht Erinnering.

In augustus 1883 werd Petrus Theodorus, oudste broer van Couperus, wegens een geestesziekte, opgenomen in een inrichting. Couperus werd in juni 1885 benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en behaalde op 6 december 1886 zijn acte MO-Nederlands.

In 1887 zette hij zijn omgang met Elisabeth Baud voort en begon zijn vriendschap met Gerrit Jäger; in december van datzelfde jaar begon hij aan zijn debuutroman Eline Vere. Hij maakte in juli 1889 een reis naar Scandinavië met zijn zwager Benjamin Vlielander Hein. In 1890 sloot Couperus vriendschap met met jhr. J.H. Ram en maakt hij kennis met Maurits Wagenvoort. Hij ondernam in mei van dat jaar een reis naar Karlsbad en ontving op 12 augustus de Thiemeprijs voor Eline Vere.

Op 13 oktober 1890 liet hij zich uitschrijven uit ‘s-Gravenhage, met de intentie om naar Parijs te gaan. Hij keerde echter in januari 1891 terug naar Den Haag in verband met het overlijden van G.L. Baud, de grootvader van Elisabeth Baud. Op 9 september 1890 vond het huwelijk plaats van Couperus en Elisabeth Baud; de huwelijksreis ging naar België. Op 21 september betrok het paar de woning Villa Minta aan de Roeltjesweg te Hilversum.

In december werd Couperus door Lambertus Jacobus Veen van uitgeverij L.J. Veen benaderd om Extaze uit te geven. Oscar Wilde las in 1892 de vertaling van Couperus’ Noodlot, Foodsteps of fate, en schreef Couperus een brief om hem te complimenteren met diens werk. Elisabeth Baud vertaalde datzelfde jaar Wilde’s werk The picture of Dorian Gray. Gerrit Jäger maakt een toneelbewerking van Couperus’ Noodlot.

Succes als beginnend schrijver

In februari 1883 maakte Couperus een reis naar Italië maar op 15 februari overleed zijn moeder Catharina Geertruida Reijnst, waarop hij terug moest keren en in september een tweede reis naar Italië maakte, waar hij zijn reisschetsen schreef.

In december werd hij redacteur van De Gids en het jaar daarop betrok hij het huis aan de Jacob van der Doesstraat 123 in ‘s-Gravenhage. In april 1894 bezocht hij Ouida in Florence en in augustus van datzelfde jaar pleegde zijn vriend Gerrit Jäger zelfmoord.

Couperus trad op 30 april 1895 af als redactielid van De Gids en vertrok in oktober weer naar Italië, waar hij in Rome Pier Pander leert kennen. Ook de jaren daarop reisde hij veel, onder meer naar Frankrijk, Duitsland en Engeland (tot 1898). In 1897 zei Couperus het lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op omdat hij van plan was naar het buitenland te vertrekken en op 31 augustus werd hij benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

In 1898 maakte Couperus een reis naar Londen en het jaar daarop, in februari, een reis naar Nederlands-Indië, alwaar hij in juni enige tijd verbleef te Tegal, bij zijn zwager resident Gerard Valette en zijn vrouw (zuster van Couperus) Trudy. Na een verhuizing van Valette verbleef het gezelschap te Pasoeroean, waar Couperus begon aan zijn roman De stille kracht.

In maart 1900 keerde Couperus terug naar Nederland maar vertrok in oktober samen met zijn vrouw naar Frankrijk, waar hij en zijn vrouw gingen wonen in Villa Jules, bij Nice. Hij maakte vandaar verschillende reizen naar Italië, onder meer naar Florence en Rome.

In 1901 overleed zijn vriend Jan ten Brink en in oktober 1902 zijn vader John Ricus Couperus. In januari 1903 richtte Couperus, samen met Cyriel Buysse en Willem Gerard van Nouhuys, het literaire tijdschrift Groot Nederland op en in mei 1904 verkreeg uitgeverij L.J. Veen de rechten van alle tot dan toe verschenen werken van Couperus.

Omdat zijn boeken indertijd slecht verkochten nam Couperus zich voor geen romans meer te schrijven. Hij vertrok in mei 1906 van Villa Jules naar Venetië en verbleef in juni te Bagni di Lucca, waar hij Giulio Lodomez ontmoette, die hij later zou laten figureren in zijn romans als Orlando. Hij bracht tevens een bezoek aan Ouida in Camaiore.

Succesvol schrijver

in 1908 overleed Ouida en in augustus begonnen Couperus en zijn vrouw Elisabeth Baud met een pension in Nice; Couperus schreef enige korte verhalen en begon op 27 november 1909 met een wekelijks feuilleton in Het Vaderland.

In mei 1910 overleed de broer van Couperus, Frans en in december werd het pension in Nice beëindigd; Couperus ondernam tot 1912 reizen naar Italië en Sicilië.

Hij maakte in 1913 een drie maanden durende reis door Spanje met Elisabeth Baud en Orlando. In september van dat jaar pleegde Johan Hendrik Ram zelfmoord en in maart 1914 won Couperus de Nieuwe Gids-prijs voor Antiek toerisme. Hij verbleef in juli 1914 een tijdje in München.

Begin 1915 keerde hij terug naar ‘s-Gravenhage, waar hij voor het eerst optrad als voordrachtskunstenaar in kunstzaal Kleykamp te ‘s-Gravenhage. Hij ging aan de Hoge Wal 2 te ‘s-Gravenhage wonen en schreef opnieuw feuilletons voor Het Vaderland. In november bezocht hij Cyriel Buysse, waar hij Henri van Booven, zijn latere biograaf, ontmoette.

In het voorjaar van 1916 schilderde Antoon van Welie het portret van Couperus; daarnaast correspondeert Couperus met Wolter Everard Johan Kuiper over diens essay betreffende Couperus’ werk. Couperus werd door Salomon Frederik van Oss aangenomen als medewerker van de Haagse Post en hield een interview met André de Ridder.

In oktober 1917 vond de première plaats van een bewerking, door Elisabeth Baud, van Eline Vere; de belangrijkste actrice in het stuk was Else Mauhs. In mei 1918 overleed de zuster van Couperus, Trudy en in april 1919 overleed de neef van Couperus, François Emile Vlielander Hein, aan wie hij De Ode op had gedragen, samen met zijn echtgenote Enny Vrede, bij de ramp met het stoomschip Amstel. Datzelfde jaar overleed ook Lambertus Jacobus Veen van uitgeverij L.J. Veen.

Laatste levensjaren

In oktober 1920 ondernam Couperus een reis naar Algiers, in juni 1921 één naar Londen en in februari 1922, als speciaal correspondent van de Haagse Post, maakte hij reizen over Sumatra, Java en Bali en logeerde aldaar (Sumatra) onder meer bij gouverneur L.C. Westenenk.

In deze tijd, in 1921, werd hij gefotografeerd door de dan wereldberoemde portretfotograaf Emil Otto Hoppé. In februari werd Couperus ernstig ziek tijdens een tocht door Japan; hij lag vervolgens meerdere weken in een Japans ziekenhuis.

Hij trok in maart 1923 in het huis Het Sunneke in De Steeg (Arnhemse Straatweg 13); dit huis werd betaald met geld dat door Salomon Frederik van Oss ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van Couperus was ingezameld.

Deze verjaardag werd gevierd in ‘s-Gravenhage, waarbij Lodewijk van Deyssel een toespraak hield; Couperus werd benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en overleed in april 1923 aan een longziekte. Dat was waarschijnlijk aan een longvliesontsteking en een bloedvergiftiging. Op 19 juli vond de crematie op Westerveld plaats, de as werd later overgebracht naar Eik en Duinen.