De Juliaanse kalender is de van oorsprong Romeinse kalender die gebruikt werd in het grootste deel van de christelijke wereld.

In de tijd van Julius Caesar werd de discrepantie tussen de van oorsprong Romeinse maankalender en de seizoenen zo groot dat Caesar de kalender hervormde tot de Juliaanse kalender en deze op de zon liet baseren.

Op advies van de Alexandrijnse astronoom Sosigenes voerde Julius Caesar een jaar van 365,25 dagen in. Bij deze Juliaanse kalender werden de maanden van de oude Romeinse kalender behouden, maar hun duur werd aangepast en bovendien begon het jaar voortaan op 1 januari.

Verder verdween de schrikkelmaand van de oude Romeinse kalender en werd het schrikkeljaar ingevoerd. Eerst verkeerdelijk om de 3 jaar, maar vanaf 8 v.C. was er om de 4 jaar een schrikkeljaar.

Tijdens een schrikljaar werd er tussen 24 en 25 februari een dies intercalaris (schrikkeldag) ingevoegd, die werd aangeduid als ante diem bis sextum Kalendas Martias (vandaar annus bissextus of annus bissextilis voor een schrikkeljaar).

Julius Caesar bepaalde dat het jaar AUC 708 (ultimus annus confusionis, het laatste jaar van de verwarring = 46 v.Chr.) 455 dagen zou tellen. 1 Ianuarius zou zo weer samenvallen met het begin van de winter.

Ter ere van de invoering van deze kalender werd de maand Quintilis veranderd in Iulius. Later werd de naam van de maand Sextilis gewijzigd in Augustus.

De Juliaanse kalender werd in de loop van de 16e tot de 20e eeuw geleidelijk aan verdrongen door de Gregoriaanse kalender.