Johannes Hendrikus Scheffer

Johannes Hendrikus Scheffer (Rotterdam, 19 februari 1832 – aldaar, 13 februari 1886) was historicus, ruim 20 jaar archivaris van Rotterdam en lid van verschillende geleerde genootschappen.

Na het voorbereidend onderwijs ging hij op 19 augustus 1852 in Leiden rechten studeren. Hij maakte die studie echter niet af en werd in 1858 ambtenaar op de gemeentesecretarie van Rotterdam.

Daar zou hij opklimmen tot archivaris-bibliothecaris van Rotterdam, in welke functie hij ‘ten aanzien van het Archief en de Boekerij groote verdiensten jegens de Gemeente heeft verworven’.

Na hun huwelijk in 1860 zijn Johannes Scheffer en zijn vrouw Johanna Wilhelmina Herklots gaan wonen in de Lamsteeg te Rotterdam. Omstreeks 1868 verhuisde het gezin naar de Goudsche Singel. Daarna werd nog twee keer verhuisd, eerst naar de Goudschestraat en later naar de West Zeedijk.

Op 13 februari 1886 is Johannes Scheffer na een maandenlange ziekte overleden. Vijf jaar daarvoor, op 11 februari, had zijn vrouw hem verlaten en was in Den Haag gaan wonen op het adres Rubensstraat 17.

Van klerk tot archivaris-bibliothecaris

Op 22 oktober 1857 werd in de raadsvergadering van Rotterdam een verordening op het bewaren en in orde houden van het archief aangenomen. Daarmee moest een einde komen aan verwaarlozing en willekeur; het over verschillende vertrekken verspreide bezit moest bijeengebracht en geïnventariseerd worden.

Volgens de verordening moest er een vaste raadscommissie komen om B. en W. in het toezicht op het archief bij te staan. Die commissie werd begin 1858 samengesteld. Al kort na zijn indiensttreding op de gemeente-secretarie werd de jonge Scheffer als secretaris aan die commissie toegevoegd. Hem werd ook de zorg voor het archief opgedragen. Aanvankelijk was dat voor een deel van zijn tijd, maar in de loop van het jaar bleek dat niet genoeg te zijn.

‘Het bleek der Commissie’, aldus hun verslag over dat jaar, ‘dat de overige werkzaamheden ter Secretarie dien ambtenaar weinig gelegenheid verschaften, zich met het archief bezig te houden, weshalve zij bij U aanvraag deed, om hem van alle andere werkzaamheden ter Secretarie te ontslaan en uitsluitend voor die van het archief aan te wijzen, waaraan door U met 1 december het gewenschte gevolg is gegeven’.

In de verordening stond ook dat personen, die geen lid van het gemeentebestuur waren, met verlof van de commissie het archief konden raadplegen. Hiermee was een begin gemaakt met de openbaarheid van de archieven. Het bewaren en in orde houden daarvan maakte het nodig om de charterkamers in het raadhuis aan de Kaasmarkt te verbeteren en de kasten te veranderen of te vernieuwen.

Nog voor het eind van het jaar werden de belangrijkste stukken overgebracht naar brandkast No. 1 in de Rotonde (de met een koepeldak afgedekte entreehal). Daarin kwam ook het bureau van Scheffer. In 1859 werd de verbouwing en outillage van de tweede charterkamer voltooid. Het eerste jaarverslag vermeldt verder dat de commissie haar secretaris een catalogus had laten opmaken van de op de charterkamer aanwezige boeken. Ze hoopte dat het gemeentebestuur haar zou steunen in haar pogingen om deze boekerij uit te breiden

Tot het werk van Scheffer behoorde het zoeken en verzamelen van verspreide documenten. Om verlies of zoekraken te voorkomen stempelde hij op losse stukken het stadswapen. Verder hield hij zich bezig met het kopiëren van moeilijk leesbare schrifturen en het voorthelpen van de eerste bezoekers. De openbaarheid van het archief had -zo lezen we in het verslag– ‘reeds eenige geleerden en oudheidkundigen aangelokt’.

In voortdurend contact met de commissie zette secretaris Scheffer zijn ordeningswerk gedurende de volgende jaren voort. In 1860 kon hij een begin maken met de inventarisatie en daarnaast vergde de registratie van de aanwinsten veel van zijn tijd. Dat schoot echter niet op, want zijn tijd werd te veel in beslag genomen door ‘langdurige belangrijke nasporingen ter opheldering van oude zaken of handhaving of staving van de regten der gemeente’.

Scheffer was inmiddels eerste klerk geworden en kreeg in 1862 de titel van archivaris. De archiefruimte werd met twee vertrekken uitgebreid; het archief stond nu opgesteld in ‘104 van glazen deuren voorziene kasten’. De veelomvattende werkzaamheden maakten in 1863 de aanstelling van een medewerker nodig. Dat werd Frederik Daniel Otto Obreen, die later directeur van museum Boymans en daarna van het Rijksmuseum zou worden.

Op 16 februari 1864 brandde museum Boymans, gevestigd historische Schielandhuis, af. Aan het einde van dat jaar besloot de gemeenteraad het Schielandhuis weer op te bouwen en een deel te bestemmen tot berging van het archief, voorzover dit in het raadhuis gemist kon worden. De archiefcommissie was het daar mee eens omdat de tegenwoordige bewaarplaats van de gemeente-archieven uit het oogpunt van brandveiligheid veel te wensen overliet.

Gemeentesecretaris Nierstrasz kwam met bezwaren. Hij stelde dat volgens zijn instructie het hele archief aan zijn zorg en verantwoording was toevertrouwd. Verplaatsing van een deel daarvan zou moeilijk te rijmen zijn met zijn verantwoordelijkheid. Scheffer reageert in een uitvoerige memorie verontwaardigd. Hij meent dat de secretaris van een grote gemeente het veel te druk heeft om ook nog zorg te besteden aan het archief.

Vroeger werden de archieven overal geheimzinnig verborgen. De reden: de hopeloze verwarring en slecht ingerichte bewaarplaatsen, waaruit de gemeentesecretarissen ze door gebrek aan lust of kennis dan wel door tijdgebrek niet konden redden. Aan die toestand is nu een eind gekomen en de archiefcommissie heeft de secretaris van die onmogelijke taak ontheven. Door de brand in Boymans is duidelijk geworden dat een dergelijke calamiteit ook in het stadhuis mogelijk is. Scheffer wijst op veel praktische bezwaren uit het voorstel Nierstrasz.

Het gemeentebestuur probeert kool en geit te sparen, maar Scheffer krijgt grotendeels zijn zin. De archieven van vóór 1824, met uitzondering van eigendomsbewijzen e.d., de bibliotheek en de verzameling oudheden en kunst gaan in 1868 naar het nieuwe onderkomen in het Schielandhuis. Ds. Craandijk heeft daar uitvoerig over geschreven.4

Al in 1863 had het archief een prentenverzameling van Rotterdam van 1000 nummers in veertien portefeuilles. Die werd in 1865 aangevuld met tekeningen en prenten uit de collectie Abraham van Stolk Czn. Daardoor won de verzameling zo in betekenis dat de secretaris een uitvoerige catalogus ging voorbereiden.

Het eerste deel daarvan verscheen in 1868 als Roterodamum illustratum, ‘een beredeneerde beschrijving van den geschiedkundige atlas in het archief der gemeente Rotterdam aanwezig betrekkelijk het hoogheemraadschap Schieland en de stad Rotterdam’. Auteurs waren Johannes Hendrikus Scheffer en Frederik Daniel Otto Obreen. Het werk ging vier delen tellen; de volgende verschenen respectievelijk in 1871, 1874 en 1880.

Bij een reorganisatie van het secretarie-personeel in 1873 werd van het archief tot een aparte afdeling gemaakt. Scheffer kreeg toen de titel van archivaris-bibliothecaris. Obreen werd adjunct-archivaris. Na diens benoeming tot hoofddirecteur van het Rijksmuseum te Amsterdam volgde Johan Hendrik Willem Unger hem op 1 oktober 1883 op. Unger verving Scheffer tijdens de maandenlange ziekte die aan zijn dood in 1886 vooraf ging en volgde hem daarna op.

De Collectie Craandijk

In de loop der jaren werden regelmatig boeken, tekeningen en andere voorwerpen ten geschenke ontvangen en ook aangekocht. In het verslag over de toestand van de archieven van 1866 wordt bij de ontvangst van vijf lithografieën van personen aangetekend: ‘NB Bovenstaande personen in geene betrekking staand tot de Geschiedenis van Rotterdam kunnen dus niet in de prentverzameling in het Archief worden opgenomen, – blijven dus berusten op de Bibliotheek.’

Dat gebeurde ook met een collectie topografische tekeningen en prenten die Scheffer in 1873 kocht en die op een paar na geen betrekking op Rotterdam hadden. Ze waren afkomstig uit de nalatenschap van Mr. J. Van Dam van Noordeloos (1791-1872). Na diens dood werden er drie catalogi gemaakt, van de historieprenten en portretten, van de manuscripten en van de bibliotheek.

In totaal waren er voor de verkoop, in januari 1873, twintig zittingen nodig, die ’s morgens om tien uur en ’s avonds om zes uur begonnen. Op één zitting na was daarbij steeds de bibliotheek-beheerder van de gemeente Rotterdam, de heer J.H. Scheffer, aanwezig. Hij was er een belangrijk koper. Uit het hoofdstuk topografie kocht hij vijftien nummers, negen betreffende Rotterdam en zes van andere plaatsen, voor resp. ƒ 35.05 en ƒ 3.30.

Het is niet helemaal duidelijk wat Scheffer precies kocht. In het verslag van Burgemeester en Westhouders van Rotterdam over 1873 staat dat uit de nalatenschap van Mr. Jacob van Dam van Noordeloos o.a. 329 nummers kaarten en gravures waren aangekocht. Een andere bron heeft afwijkende cijfers 5, maar uit de nu nog in de gemeentebibliotheek aanwezige tekeningen en prenten blijkt dat het gekochte aantal veel groter was dan de veilinggegevens doen vermoeden. Het geld was er ook voor.

Een artikel in de N.R.C. van 3 september 1886 meldt over De Rotterdamsche Stadsbibliotheek dat de gemeente in 1872 een legaat van Van Dam van Noordeloos kreeg van ƒ 1.000.- , om uit diens bibliotheek de meest gewenste werken aan te kunnen kopen. Dat is blijkbaar buiten de veiling om gebeurd.

Blijft de vraag waarom Scheffer zoveel topografische afbeeldingen van kastelen ergens op het platteland kocht, die niets met Rotterdam hadden uit te staan. In hetzelfde jaar 1873 schonk ook de doopsgezinde predikant Jacobus Craandijk een dertigtal tekeningen, en in de daaropvolgende jaren nog eens vijf en twintig. Allemaal, op één na, van kastelen ver buiten Rotterdam. Die werden bij de door Scheffer gekochte collectie gevoegd. Omdat Craandijk’s naam duidelijk onder de tekeningen vermeld werd, werd de verzameling op den duur ‘Collectie Craandijk’ genoemd.

Misschien was Craandijk ook wel bij de vorming van deze ‘oneigenlijke’ verzameling betrokken. Hij en Scheffer kenden elkaar goed. In zijn hierboven genoemde artikel over de bibliotheek schreef hij o.a.: ‘Het beneden gedeelte der kast is de bewaarplaats van een rijke verzameling afbeeldingen van kastelen (…)’.

‘Groote verdiensten jegens de Gemeente’

Al in het verslag van 1867 kon Scheffer niet zonder gepaste trots verklaren: ‘dat Rotterdam de eerste is van alle gemeenten in ons land, alwaar aan alle billijke eisen, zo op wetenschappelijk als administratief gebied voldaan is en het Rotterdamsch archief overal met regt als een model geroemd wordt’.

Na zijn overlijden in 1886 vermeldt het verslag: ‘Het was immers voornamelijk aan zijn toewijding te danken, dat het Rotterdamse archief, in zeer verwaarloosde toestand door hem aangetroffen, bij het beëindigden van zijn levenstaak de vergelijking met de best ingerichte archieven kon doorstaan.

Met onvermoeiden ijver heeft hij getracht daar te vereenigen, wat hij voor de geschiedenis van eenig belang achtte, en moge al de overledene zijne gebreken hebben gehad, de lof, dat hij ten aanzien van het Archief en de Boekerij groote verdiensten jegens de Gemeente heeft verworven, mag aan zijne nagedachtenis niet worden onthouden’.