Jacobus Hendrikus (Koos) de Jager (Kralingen, 23 oktober 1869 – Den Haag, 3 maart 1945), was een dichter-zanger. Bij het huwelijk van ouders op 12 juli 1872 werd Koos erkend en gewettigd, waardoor hij de naam Speenhoff verkreeg.

Jacobus Hendrikus werd -evenals zijn jongere zus- bij zijn geboorte ingeschreven onder de naam van zijn moeder: De Jager. Beiden werden bij het voltrekken van het huwelijk van hun ouders als hun kind erkend en aangenomen, waarmee zij de achternaam Speenhoff kregen.

Speenhoff groeide op in een weinig harmonieus milieu. Zijn vader was een vooraanstaand fabrikant van isolatiemateriaal voor stoommachines, naar een door éen van zijn ooms gevonden procedé, en zijn moeder een eenvoudige volksvrouw.

Toen Speenhoff bijna drie jaar was huwden zijn ouders en verhuisde het gezin naar Krimpen aan de Lek. In deze plaats groeide Speenhoff op, bezocht er de lagere school en vervolgens de HBS in Rotterdam.

In 1886 tekende Speenhoff voor tien jaar bij de marine en bezocht hij de machinistenschool te Hellevoetsluis. Een ongelukkige val in 1889, tijdens een manoeuvre op Voorne, maakte voortijdig einde aan zijn verbintenis met de marine.

Naar verluid gaf hij bij die reizen meer geld uit dan hij inbracht. In de praktijk bleek hij volstrekt ongeschikt te zijn voor leidinggevende functies, en maakt zijn onhandigheid met geld hem ongeschikt voor het zakenleven. In de ogen van zijn ouders dreigde hij volledig te mislukken toen hij een hang naar het Rotterdamse bohémienleven aan de dag legde.

Dichter-zanger

Aangemoedigd door artistieke vrienden, onder wie de schilder Kees van Dongen, maakte hij van zijn liefhebberij (het schrijven en zingen van liedjes) zijn beroep.

In 1902 -hij was toen 33 jaar- debuteerde hij als dichter-zanger in de Rotterdamse Tivoli-Schouwburg en werd overrompeld door een volkomen onverwacht succes, dat in heel Nederland een weerklank zou vinden.

In zijn sociaal bewogen en hekelende volkspoëzie over alle mogelijke onderwerpen, die veelal een actueel karakter droegen, sneed het mes aan twee kanten: de aan het begin van de eeuw ontwakende arbeider herkende zijn eigen leven, omgeving en situatie, en de intellectueel ontdekte een nieuwe literaire stijl in een periode van saaie sonnetten en hoogdravende onechtheid. Speenhoff, de superindividualist, zong zijn liedjes met een aangename baritonstem en een minimum aan voordracht, onderstreept door een paar eenvoudige, niet altijd zuiver klinkende gitaarakkoorden.

Hij distantieerde zich doelbewust van de toenmalige variétéhumoristen, door in een zwarte, geklede jas te verschijnen met een lessenaar en een repertoireboek. Het contrast tussen het uiterlijk van een deftige dominee en de openhartige inhoud van zijn getuigende liedjes is als een schok door ons land gegaan.

Zijn populariteit kende geen grenzen en zijn felle strijd tegen voornamelijk katholieke kringen die zijn werk ‘onzedelijk’ en ‘weerzinwekkend’ noemden, werd door zijn trouwe aanhangers overal toegejuicht.

Omslag

Op 13 februari 1915 gaf heel kunstminnend Nederland acte de presence bij Speenhoffs koperen artiestenjubileum. Er wordt vastgesteld dat de bloemenhulde die Speenhoff bij die gelegenheid wordt gebracht, alle records breekt en in het bijbehorende gedenkboek steken prominenten als Herman Heijermans, Willem Kloos en Henriette Roland Holst de loftrompet over de jubilaris.

Nog datzelfde jaar blijkt dat het jubileum tegelijk een soort afscheidsfeest was. Speenhoff is kennelijk niet met zijn tijd meegegaan en het kunstminnende publiek laat het steeds meer afweten.

Eind 1915 veroorzaakte hij ophef doordat hij, als reactie op kritiek uit katholieke hoek, vertelt dat hij zelf katholiek is. De mededeling krijgt steeds meer het karakter van een bekering. Speenhoff zegt zich uit morele overwegingen te schamen voor zijn vroegere werk. Hij kuist zijn oude teksten.

Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit heet vanaf dat moment Brief van een moeder aan haar zoon die in de gevangenis zit; de billen worden beentjes en onzedelijk geachte versregels worden vervangen door minder openhartige varianten. Toen zijn fans in verzet kwamen, trachtte hij zijn ondoordachte uitspraken te herroepen, maar de verwarring was gesticht, en dat zou daarna nog vele malen gebeuren ten koste van zijn reputatie en zijn populariteit.

Een zucht naar burgerlijke deftigheid waarmee hij de gewone volksjongen in zichzelf de mond snoerde, heeft zich telkens weer geopenbaard; terwijl iedereen in Nederland sprak van Koos Speenhoff, probeerde hij zich hardnekkig ‘de Heer J.H. Speenhoff’ te laten noemen.

Na 1920, toen zijn ster al begon te dalen, was zijn lijfspreuk ‘ ’t Is anders!’ irritant geworden, omdat hij onder deze vlag niets anders meer deed dan met alle geweld in de contramine willen zijn, verzuurd, verbitterd, rancuneus.

De socialistische volksdichter was een conservatieve betweter geworden, die in deze laatste hoedanigheid voornamelijk vervelende gelegenheidsversjes fabriceerde. Op den duur raakte hij uit de tijd en werd hij steeds afgunstiger op jongere collega’s die zijn pioniersvoorbeeld met succes hadden gevolgd.

Steeds meer vrienden wenden zich van hem af, waardoor hij de laatste jaren van zijn leven een eenzame figuur werd die zich miskend waande, onderschat en onbegrepen. De enige die hem door dik en dun trouw is gebleven was zijn echtgenote, met wie hij veertig jaar lang in ieder opzicht een duo heeft gevormd.

Jaren dertig en veertig

In de jaren dertig deed Speenhoff een aantal antisemitische uitspraken en tijdens de oorlogsjaren deed het gerucht de ronde dat hij lid van de NSB was geworden.

De naam Speenhoff werd regelmatig genoemd in het pro-Duitse radioprogramma Het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter (Jacques van Tol.) Het was echter niet Koos Speenhoff of zijn vrouw Cesarina, maar hun dochter Ceesje Speenhoff die in het programma optrad. Speenhoff heeft zich weliswaar van de politieke activiteiten van zijn dochter gedistantieerd, maar heeft zelf wel tijdens de oorlog vele pro-Duitse teksten geschreven.

Op zaterdag 3 maart 1945 werd het echtpaar Speenhoff, dat zich op straat bevond, door het Britse bombardement van het Bezuidenhout te Den Haag, overvallen. Speenhoff raakte daarbij dodelijk gewond; zijn vrouw verloor een been en leefde nog tot 22 maart 1946.

Op 27 maart 1946 werden beiden begraven op Crooswijk te Rotterdam; tot die dag was Speenhoff tijdelijk begraven in Den Haag. Van officiële zijde was er geen belangstelling, maar enige honderden vrienden en bewonderaars woonden de plechtigheid bij. Dochter Ceesje, gedetineerd vanwege haar rol in de oorlog, was in de gelegenheid gesteld de begrafenis bij te wonen.

Bekende liedjes

Klassiek geworden cabaretliedjes uit zijn rijke artistieke erfenis zijn: “Moeders brief”, “Opoe”, “Het broekie van Jantje” en “De schutters”. Door zijn baanbrekende werk kan hij – samen met Eduard Jacobs en Jean-Louis Pisuisse – als een wezenlijke pionier van het Nederlandse cabaret worden beschouwd.