De Gregoriaanse kalender, een aanpassing van de daarvoor gebruikte Juliaanse kalender, werd voor het eerst voorgesteld door de Napolitaanse arts Aloisius Lilius, en werd overgenomen door het Concilie van Trente (1545-1563).

Paus Gregorius XIII kon pas in 1582 met de bul Inter gravissimas deze kalenderhervorming doorvoeren. Bij de invoering liepen de weekdagen zonder onderbreking door: op donderdag 4 oktober volgde vrijdag 15 oktober 1582. Door het weglaten van die 10 dagen werd het begin van de lente teruggebracht naar 21 maart.

Het gemiddelde jaar in de Juliaanse kalender telde exact 365,25 dagen, maar omdat het gemiddelde tropische jaar ongeveer 365,2422 dagen duurt, loopt de Juliaanse datum elke duizend jaar ongeveer 7,8 dagen achter op de zon.

Om deze afwijking te corrigeren, werd het systeem van schrikkeljaren aangepast, zodat elk jaartal dat deelbaar was door 4 maar ook door 100, voortaan geen schrikkeljaar is, behalve als het ook door 400 te delen is.

Dat betekent dat bijvoorbeeld 1600, 2000 en 2400 schrikkeljaren zijn, maar 1700, 1800, 1900, 2100, 2200 en 2300 niet. Het gemiddelde Gregoriaanse jaar duurt derhalve 365,2425 dagen. Per 1000 jaren worden er daardoor gemiddeld 7,5 dagen gecorrigeerd.