Een gilde was in de tijd van het Ancien Régime een belangenorganisatie van personen met hetzelfde beroep.

In sommige delen van de Nederlanden sprak men van ambachten. Gilden of ambachten hebben vanaf de middeleeuwen tot eind 18e eeuw bestaan.

In een gilde werd kennis en ervaring uitgewisseld. Nieuwe gildeleden werden opgeleid in het vak. Na een gedegen opleiding kon een leerling erkend worden als vakman met de titel gezel en uiteindelijk de titel “meester” verkrijgen na het doen van de gilde- of meesterproef.

Het gilde behartigde de belangen van de gildeleden, en beschermde hen. Vaak had een gilde het alleenrecht op het uitoefenen van het vak, wat leidde tot de zekerheid van kwaliteit van het werk, soms zelfs tot een monopolie.

Er bestonden verschillende soorten gilden zoals ambachtsgilden, handels- of koopmansgilden en schuttersgilden. Ambachtsgilden bestonden uit vaklieden die allen hetzelfde ambachtelijke vak uitvoerden, zoals:

  • Hoveniers;
  • Ooftmengers (handelaren in groente, fruit, maar ook spek, ham, worst, enz.);
  • Molenaars;
  • Bakkers;
  • Brouwers;
  • Vissers;
  • Slagers (of vlees- of beenhouwers);
  • Leerlooiers;
  • Schoenmakers;
  • Bontwerkers;
  • Lakenwevers (soms gewantmakers genoemd);
  • Ververs;
  • Volders;
  • Droogscheerders;
  • Linnenwevers (ook wel kortspoelders genoemd);
  • Kleermakers; patroonheilige:
  • Timmerlieden- en schrijnmakers;
  • Mandenvlechters; patroonheilige:
  • Kremers (waartoe handelaars in de breedste zin van het woord werden gerekend);
  • Schippers (of andere transporteurs);
  • Chirurgijns (waarbij, naast chirurgijns en vroedvrouwen, ook universitair opgeleide doctores medicinae behoorden);
  • Goud- en zilversmeden;
  • Kunstenaars;