Gerard Ewout van Walsum (Krimpen aan den IJssel, 21 februari 1900 – Rotterdam, 27 juli 1980) was een politicus en burgemeester van Rotterdam.

Na zijn middelbare schooltijd te hebben doorgebracht aan het Rotterdamse Marnix Gymnasium, bekwaamde Van Walsum zich van 1920 tot 1926 in de rechtsgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit Utrecht.

Na zijn debuut op 15 april 1931, waarin Gerard een rede van de CHU-voorman B.F. de Savornin Lohman had gekritiseerd (‘Het eigen recht der overheid’), werd hij in 1933 in de hoofdredactie van het dagblad De Nederlander benoemd, weldra gevolgd door Lieftinck (intussen hoogleraar), Ph.J. Idenburg, C.L. Patijn, S. Rozemond en F. de Graaf.

Sindsdien hadden de progressieve krachten in de CHU, en vooral Van Walsum, de gelegenheid, vrijwel ongemoeid door het bestuur hun opvattingen onder de aandacht van de 7 à 8000 lezers van het blad te brengen, totdat het in 1941 werd opgeheven.

Het dagblad De Nederlander was de spreekbuis van de Christelijk-Historische Unie. Ook op conferenties, in brochures en bij spreekbeurten voor afdelingen van de CHU – in 1939 werd hij tot lid van de gemeenteraad van Rotterdam gekozen voor de Unie – zette Gerard zijn opvattingen ten aanzien van belangrijke kwesties uiteen: het sociale vraagstuk (bedrijfsorganisatie, medezeggenschap, geen klassenstrijd), de koloniale verhoudingen (geleidelijk zelfstandigheid), de internationale verhoudingen (kritiek op gemakkelijke rechtvaardiging van de oorlog).

Zijn afwijzen van ieder christelijk imperialisme en van direct aan de bijbel ontleende vermeende oplossingen voor politieke, economische en sociale vragen leidde bij hem op den duur tot bezwaren tegen confessionele organisaties.

Tegenover de zogenaamde antithese tussen christenen en niet-christenen verdedigde hij het standpunt dat een christen in persoonlijke verantwoordelijkheid geroepen was, zich samen met niet-christenen in te zetten voor een rechtvaardige maatschappij.

Na de Tweede Wereldoorlog brak de van christelijk-historische huize zijnde Van Walsum in het kader van de ‘Doorbraak’ (van christenen naar niet-confessionele partijen) door naar de PvdA. Als lid van de beginselprogrammacommissie in 1946-1947 gaf hij mede vorm aan de ideologische basis van de PvdA.

Voorts was hij vier jaar vicevoorzitter en zat hij jarenlang in het hoofdbestuur. Om de interne levensbeschouwelijke verscheidenheid de vrijheid te geven werden binnen de partij zogenaamde werkgemeenschappen voor aanhangers van resp. de katholieke, protestantse en humanistische levensovertuiging opgericht. Van de protestantse werkgemeenschap was Gerard voorzitter (1946 tot 1962).

Pre-politieke loopbaan

In oktober 1925 trad Gerard in dienst bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken Rotterdam, waar hij eerst meewerkte aan het gedenkboek dat bij het 150-jarig bestaan in 1928 uitkwam. Vanaf 1929 was hij als adjunct-secretaris, later secretaris naast de algemeen secretaris W.F. Lichtenauer, belast met het bijhouden van het Handelsregister tot hij in 1945 deze dienst verliet.

Politieke loopbaan

Wat politieke functies buiten de PvdA betreft, zat hij vlak na de oorlog een aantal jaren (opnieuw) in de gemeenteraad van de Rotterdam (was er ook een jaar wethouder van Onderwijs en Volksontwikkeling), in de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in de Tweede Kamer, alvorens in 1948 met een burgemeestersloopbaan te beginnen.

Eerst werd hij burgemeester van Delft (1948-1952) en vervolgens die van Rotterdam (1 juli 1952 tot 1 maart 1965). Desgevraagd stelde Gerard zich beschikbaar voor Rotterdam, nadat hij zich van de steun van K.P. van der Mandele, voorzitter van de Kamer van Koophandel, had vergewist.

Het gelukte hem daar vele en velerlei krachten te bundelen tot gezamenlijke voortgezette inspanning voor de onder zijn voorganger P.J. Oud begonnen opbouw van de geschonden stad. In het college van B & W stond Rotterdams belang steeds bovenaan, boven partijbelangen. Vooral de ontwikkeling van havens kwam daarbij sterk naar voren.

In vruchtbare samenwerking tussen bestuur en bedrijfsleven, o.a. in het Comité Rotterdam, kwamen grootscheepse voorzieningen, zoals Botlek en Europoort, de luchthaven Zestienhoven, de metro, en enkele nieuwe en uitgestrekte woonwijken tot stand. Maar ook de formatie van het Openbaar lichaam Rijnmond en de vorming van wijkraden (decentralisatie) werden door hem gestimuleerd.

Andere vraagstukken rondom het bestuur van een grote stad hadden eveneens zijn levendige belangstelling. Voor het tot stand komen van de Erasmus Universiteit heeft hij met succes geijverd.
Van Walsum is wel gekarakteriseerd als regent. Hij was dat in de zin van een echte bestuurder, bereid om de gemeenschap te dienen, verantwoordelijkheid te nemen, hem verleend gezag uit te oefenen.

Door sommigen werd dit autocratisch gevonden, maar evenwichtigheid, zorgvuldigheid, gevoel voor decorum, integriteit, visie en vasthoudendheid maakten hem bij een meerderheid van de Rotterdamse burgerij zeer gezien. Hij stemde zijn politieke beslissingen af op een toekomstverwachting en stond kritisch tegenover het historisch gewordene ondanks alle begrip voor traditie.

Beëindiging lidmaatschap PvdA

Met het optreden van Nieuw Links (1966) en in de latere jaren zestig voelde hij zich inmiddels steeds meer vervreemd van de koers van de PVDA.

Zijn bezwaren daartegen waren de volgende. Bij de bovendrijvende stroom werd nauwelijks verband tussen geloof en politiek gezien; buitenparlementaire pressie werd te gemakkelijk geaccepteerd; polarisatie werd bevorderd wanneer het tot vergroting van macht kon leiden; vrijheid ging te zeer de richting van totale ongebondenheid; en de partij oefende een te grote dwang uit op haar leden die belangrijke functies in het staatkundig bestel bekleedden.

In 1972 bedankte hij als lid in een uitvoerig schrijven, dat werd gepubliceerd in het maandblad Socialisme en Democratie. Hij trad tot geen andere partij toe, al bleef hij tot zijn dood de politieke ontwikkelingen volgen.