Elizabeth Vuijk (Rotterdam, Delfshaven 11 februari 1905 – Loenen aan de Vecht, 24 augustus 1991), was schrijfster. Ze publiceerde onder de naam “Beb Vuyk”.

Een belangrijke thematiek in haar werk is de zucht naar een vrijer leven, een verlangen naar een “uitzonderlijk bestaan” en tegelijk de angst voor vervreemding en eenzaamheid, de angst om apart te staan.

Vuijk schreef diverse romans, zij wordt echter vooral geassocieerd met haar kookboeken, waarin ze behalve inheemse en uitheemse kruiden ook veel Indonesische cultuur verwerkte.

Hoewel geboren in de Havenstraat 98 te Delfshaven, kwam Vuijk uit een gezin met Indische wortels. Haar vader was op Java geboren als de zoon van een Nederlandse immigrant en een Madoerese “njai” (een concubine voormalige Nederlands-Indië).

Haar streng gelovige moeder was ook in Delfshaven geboren, als dochter van een veearts. Als enige van de drie kinderen in het gezin was Beb donker van uiterlijk, met zwarte haren, donkere ogen en een bruine huid. Haar broer was blond en haar zus donkerblond.

Vanwege haar uiterlijk werd Beb op straat uitgescholden voor “vuile neger”, “zwarte Moriaan”, “blauwe liplap” en “Chinees”.

In 1927 behaalde ze in Amsterdam het diploma lerares koken en voedingsleer.

Ze volgde ook lessen Engels en literatuurkennis – naar eigen zeggen een cadeautje van haar vader – en debuteerde in 1923 in het christelijke familieblad Eigen Haard met drie jeugdverhalen. In 1930 publiceerde ze twee autobiografisch getinte verhalen in De Vrije Bladen.

Vertrek naar Indië: werk en gezin

Eind oktober 1930 kreeg Vuijk een baan als onderwijzeres bij een christelijk internaat voor verwaarloosde Euraziatische kinderen in Soekaboemi op Java. Op reis daarheen ontmoette ze de theeplanter Fernand (Boet) de Willigen, zoon van een half-Nederlandse vader en een Ambonese moeder, met wie ze zich bij aankomst in Soekaboemi verloofde.

Na hun huwelijk woonde het paar kortstondig bij de theeplantage op Midden-Java, waar Boet leiding gaf aan vijfhonderd “inlandse” arbeiders.

Toen hij in 1933 vanwege bezuinigingen werd ontslagen, vertrokken ze naar het Molukse eiland Boeroe, waar Boet een kajoepoeti-concessie geërfd had. Kajoepoeti, betekent letterlijk “wit hout”, en wordt gebruikt als verkorting van kajoepoeti-olie, een lichtgroene, etherische olie uit de bladeren en takken van de kajapoetboom bereid. Het is een bekend geneesmiddel voor uitwendig gebruik.

Gedurende haar Molukse jaren vulde Vuijk het gezinsinkomen aan met “Brieven van een huisvrouw op een buitenpost” in het Maandblad van de Huisvrouw in Nederlandsch-Indië. Deze stukken over haar moeizame en soms gevaarlijke leven op Boeroe verwerkte ze in de roman “Duizend eilanden” (1937).

In hetzelfde jaar publiceerden enkele dagbladen haar feuilleton “Brieven uit de Molukken van Beb Vuyk”, dat in 1939 leidde tot haar roman “Het laatste huis van de wereld” Het boek verwekte opschudding omdat het openlijk kritiek leverde op de Nederlandse resident van de Molukken, met wie Vuijk en haar man overhoop lagen.

Vuijk en haar man gaven de plantage op Boeroe op en keerden in 1940 terug naar Soekaboemi, waar ze via de schrijver Willem Walraven redacteur werd van het links-progressieve tijdschrift Kritiek en Opbouw. Ze kwam er in contact met moderne Indonesische intellectuelen zoals de schrijfster Soewarsih Djojopoespito en de latere premier Soetan Sjahrir. Ook schreef ze voor regeringsgezinde kranten als het Bataviaasch Nieuwsblad.

Japanse interneringskampen

Nadat haar man bij de Japanse invasie van Java (1942) krijgsgevangen was gemaakt, doken Vuijk en haar zoontjes onder bij Nederlandse vrienden op het platteland. In datzelfde jaar werd “Het laatste huis van de wereld” in Nederland bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.

Eind 1942 werd Vuijk (aanvankelijk met haar zoons) geïnterneerd, eerst in haar oude internaat en daarna in Bandoeng. In het begin van haar internering werd ze door de Japanse militaire politie (kempetai) verhoord en gemarteld. Als “B. de Willigen-Vuijk – 26285 – Indo” werd ze in 1944 geregistreerd door het Rode Kruis. Blijkens haar Kampdagboek (1989) ergerde ze zich aan het racisme van haar medegevangenen en putte ze steun uit Marsmans dichtbundel “Tempel en kruis”.

Na de oorlog

Toen Vuijk na de bevrijding haar zoon Hans uit zijn jongenskamp in Bandoeng had opgehaald, werd ze in de trein terug naar Batavia voor het eerst geconfronteerd met de “bersiap”: de agressie van de bevolking tegen de Nederlanders.

Ze schreef regelmatig in het door de kring rondom Sjahrir opgerichte tijdschrift Het Inzicht en werd lid van een groep Nederlanders die zelfbeschikking voor Indonesië onderschreef. Vanwege dit “onvaderlandslievend gedrag” heeft de feestelijke uitreiking van de in 1942 aan haar toegekende Van der Hoogtprijs nooit plaatsgevonden.

In 1946 kwam ze met haar zieke zoontje Ru naar Nederland. De inlichtingendiensten vermoedden dat haar komst naar het vaderland samenhing met republikeinse activiteiten. Hoe dit ook zij, begin 1947 bezocht ze koningin Wilhelmina op Paleis Soestdijk. Kort daarna verscheen haar roman “Het hout van Bara” (1947), opnieuw gebaseerd op haar jaren in de Molukken.

Voor Indonesische bladen versloeg ze de ontwikkelingen in de jonge republiek en in 1950 maakte ze reportages over de Molukse opstand. In hetzelfde jaar werden Vuijk en haar man Indonesisch staatsburger en lid van Sjahrirs Socialistische Partij.

In 1952 bezocht ze de Molukken opnieuw – ditmaal in het officiële gevolg van president Soekarno. Diens bewind werd echter steeds vijandiger tegen Nederland. Toen hij de paspoorten van voormalige Nederlanders wilde intrekken, vluchtten Vuijk en haar man per boot naar Europa. Met moeite kregen ze in 1960 een verblijfsvergunning voor Nederland.

Terug in Nederland

Terug in Nederland begon Beb Vuijk te schrijven voor Vrij Nederland, waarin tientallen essays en recensies van haar hand verschenen. In 1962, het jaar waarin ze de Marianne Philipsprijs voor haar gehele oeuvre kreeg, nam ze de kookrubriek van Vrij Nederland over. Haar “Indische” recepten werden in 1965 gebundeld in haar eerste kookboek, “Eet een beetje heet”.

In “Moderne Indonesische verhalen” (1967) ontsloot ze voor een Nederlands publiek de naoorlogse Indonesische letterkunde. Ook de politieke ontwikkelingen in Indonesië bleven haar bezighouden. In Vrij Nederland hekelde ze het Molukse onafhankelijkheidsstreven en in 1969 verdedigde ze het bloedbad dat de nieuwe president Soeharto in 1965 had aangericht (Hartkamp).

Een jaar later brak ze met Vrij Nederland, dat kritisch over Soeharto had bericht, en bezocht ze met haar man Indonesië, waar ze door de regering met egards werd ontvangen. De reisreportages die ze hierna voor De Volkskrant schreef, riepen felle reacties op. Vuijk werd afgeschilderd als een politieke pelgrim die Soeharto’s dictatuur wilde goedpraten. De journalist Willem Oltmans adviseerde haar zich bij novellen te houden.

In 1972 kwam Vuijks “Verzameld werk” uit. Door een oogziekte kon ze niet meer schrijven, maar ze dicteerde wel zeshonderd recepten voor haar “Groot Indonesisch kookboek” (1973). Het eerste exemplaar werd uitgereikt aan de Indonesische minister Martosuhardjo. Het werd een bestseller. In 1973 kreeg ze met de Constantijn Huygensprijs literaire erkenning voor haar “Verzameld werk”.

In 1986 overleed haar man. Toen haar arts haar in 1991 wilde laten opnemen in een verzorgingstehuis, foeterde ze: “Ze eten daar elke dag aardappels!”. Op 24 augustus 1991 stierf Beb Vuijk in een verpleeghuis in Blaricum.

Reputatie

De militaire inlichtingendienst in Nederlands-Indië beschreef Beb Vuijk in 1946 als “fel pro-Indonesisch en anti-Nederlands”. In 1960 heette ze in de Nederlandse pers een “landverrader”, in 1970 een “fellow-traveller”.

Volgens haar vriend Rudy Kousbroek was Vuijk, evenals Sjahrir, een uitgesproken voorstander van een modern Indonesië. Zowel Kousbroek als haar biograaf Bert Scova Righini constateerden dat Vuijk zich wel met Indonesië identificeerde maar niet met de Indonesiërs, afgezien van de kleine kring moderne intellectuelen rond Sjahrir.

Volgens Kousbroek voelde ze aan dat zo’n identificatie onmogelijk is en tot onwaarachtigheid zou leiden. Righini meende dat ze weinig besef had van de leefwereld van de inheemse bevolking en de Indische samenleving bezag vanuit “een Westers arbeidsethos”, maar loofde haar scherpe kijk op het “oxidatieproces van de ziel” dat zelfs de onaanzienlijkste Europese nieuwkomers in Indië in korte tijd transformeerde tot koloniale despootjes.