De doop is de rituele handeling die de intrede in een geloofsgemeenschap symboliseert.

In de Christelijke kerk wordt de doop uitgevoerd door besprenkeling (vroeger algehele onderdompeling) van het hoofd met water, als zinnebeeld van de van de afwassing van de erfzonde en de heiliging tot lidmaat van de kerk van Christus.

Doopgetuigen bij volwassenendoop

In de eerste eeuwen na Christus werd het de gewoonte dat een volwassen heiden die niet  bij de kerkelijke gemeente bekend was en die de doop aanvroeg om christen te worden, een persoon meebracht om te getuigen, dat de heiden een eerzaam beroep uitoefende en dat het hem met zijn belijdenis waarlijk ernst was.

Deze getuige was dan mede verantwoordelijk voor het onderwijs dat aan de doop vooraf ging en hij moest mede toezicht houden op de levenswandel van de nieuwe belijder. Ook in de dagen van vervolging of wanneer het onzeker was of iemand gedoopt was, hadden de doopgetuigen de taak om daaromtrent zekerheid te verschaffen.

Doopgetuigen bij kinderdoop

Gewoonlijk traden de ouders op als doopgetuigen bij de kinderdoop. Vondelingen en weeskinderen werden door anderen ten doop gehouden. Spoedig ontstond de gewoonte dat een kind niet door de ouders, maar door een vreemde ten doop gehouden werd. Deze gewoonte werd door het Concilie van Mainz 813 tot wet verheven, zodat het verboden werd, dat iemand zelf zijn eigen kind ten doop hield.

Dit besluit stond mede in verband met het opkomen van de leer,  ten tijde van Augustinus (354 – 430), dat de kinderen in zichzelf geen aanspraak hadden op de doop, omdat zij in zonde waren ontvangen en geboren. Het dopen van het kind zou echter mogelijk zijn omdat het geloof van de ouders en het geloof van de gehele gemeente het kind ten goede komt.

Daar de ouders zelf de oorzaak waren dat hun kinderen in zonde ontvangen en geboren werden, maakte men het toen tot een kerkelijke wet, dat anderen dan de ouders als doopgetuigen moesten optreden, opdat daaruit temeer zou blijken hoezeer de geestelijke opvoeding door de kerk verschilt van de vleselijke opvoeding van de ouders.

Dit eenmaal ingevoerde noodzakelijke doopgetuigenstelsel ontaardde meer en meer. Het werd een eer voor de ouders als er vele getuigen waren bij de doop van hun kind. En dan liefst mensen van naam, stand en vermogen, die rijke geschenken meebrachten. Om dit tegen te gaan maakte het Concilie van Trente 1545-1563 een einde aan het stellen van meerdere getuigen.

Ten tijde van de reformatie werd gesteld dat doopgetuigen nimmer de plaats van de ouders kunnen innemen. Alleen ouders en wettelijk bevoegde voogden kunnen voor de opvoeding van de kinderen zorgen.

Toch bleven ook in ons land doopgetuigen bestaan, echter niet in de plaats van, maar naast de ouders.

Deze gewoonte van getuigen naast de ouders bleef in de zestiende en zeventiende eeuw nog lang voortduren. In de achttiende en negentiende eeuw is het langzamerhand in onbruik geraakt.